Gustav Preller

Uittreksels uit:

Laat 't ons toch Ernst Wezen!
G. Schoeman Preller
De Volkstem - 1905


Al die nasies het één God:
Hij re'el ieder Volk zijn lot,
Hij het ver ieder Volk zijn Taal,
Zijn land, zijn reg, zijn Tijd bepaal.
F.W. Reitz
Terug na "Die Taalstryder"

In Maart van dit jaar hield de heer J.H. Hofmeyr te Stellenbosch een belangrijke toespraak, waarin veel nadruk gelegd werd op de ernst die ons bezielen moet, willen we de Hollandse Taal in Z. Afrika behouden: "Is't ons ernst met ons beweren dat we de miskenning, verguizing, minachting, vertrapping van onze taal werkelijk gevoelen, die betreuren; verlangen onze taal op te heffen, in eer te herstellen? - Helaas, het ontbrak ons aan die ernst!

[Gustav Preller]

Wijd en zijd weerklonk toen de rouwmaar in Z. Afrika: "'t Is ons niet meer ernst! Onze vrijheid, die de ernst zelf was, hebben we verloren: onze hogescholen, waar 't ons zó ernstig mee was, zijn er niet meer: in 's lands hoge plaatsen, waar de "ernst" geleefd had, dáár wordt ze tans met voeten vertreden, daar troont nu een andere soort van "ernst". Wee ons dus!"

Bangerig, zoetjies betoogde er toen een: "Was 't ons al ooit ernst geweest? Laten we toch handhaven wat ons eigen is, wat geen mag der wereld ons ontvreemden kan, en waarmee 't ons nog nooit ernst geweest is - onze Moedertaal!" - Edoch, promptelik moest hij zijn nietigheid beseffen onder de gezaghebbende uitspraak: "Wij willen geen "kombuis-taal" hebben!"

Terzelfder tijd ongeveer, spotten een toonaangevend engels blad: "How can those people ever expect us to tske them seriously, when with one breath they clamour for what they are pleased to style the "rights" of their language, retaining the next to quarrel amongst themselves as to what those rights really are?" (Hoe kunnen deze mense ooit verwachten dat wij ze ernstig moeten opnemen, wanneer zij met één asem rumoeren over wat zij graag hun "taalrechten" noemen, en de volgende inhouden om onder mekaar ruzie te maken over wat die "rechten" eigelijk zijn?). Vervolgens werd in deze voege uitgeweid over de respektiewe merieten van 't Hollands en 't "Africansch": - "Als 'the Dutch' het Hollands van Holand spraken, en erkenning dáárvan van ons gou-vernement vroegen, - goed en wel; dat Hollands is toch ten minste geen barbaars patois meer, ofschoon men de tijd en de studie eraan besteed, door totaal niets vergoed krijgt, en hoewel 't niet te vergelijken is met de taal van Shakespeare, het lof waarvan zelfs the hon. 'Mr Hofmeyr' niet verzwijgen kan wijl hij bezig is uit te weiden over de rechte van het 'Dutch'. Spraken 'the Dutch' die taal nu tog, maar die beroerde dieventaal ('miserable jargon') die zij spreken, en die toch gedoemd is in een paar jaren tidj geheel uit te sterven, en bovendien een onmogelik mengsel is van al wat er barbaars in Z. Afrika is - men neme 't ons niet kwalik wanneer we beslist weigeren dáár enige genade aan te bewijzen."

Dát, mijn waarde lezer, staat nu voor wat we in onze deftig ernstige momenten onze "taalstrijd" noemen, en dit is een voorbeeld van de intelligente tegenstand die wij onderviden. Beide dit en dat zouden we nog kunnen verrijken met vele gelykluidende voorbeelden, aanvangende met 't beruchte werk van Pres. Burgers' private sekretaris 1) tegenover Haggard's fenijn, en lopende door prof. te Winkel's veroordelingen, Olive Schreiner's neerdalend medelijden en eksparte beweringen, enz. enz. 2)

Enerzijds wordt het bestaan van 't Afrikaans - die we volgens de gemoedelikheden van "Onze Jan", nota bene, dóór 't Engels beter moeten leren kennen! - voor 't ogenblik totaal geignoreerd om "ernst" te postuleren voor wat ons niet toebehoort en nooit ons eigen zal worden; aan de anderen kant worden twee-derden der - Afrikaans sprekende - bevolking van ons land getrakteerd op allelei opgepofte domheden, die als dekmantel dienen tot dit hypokrities voorstel: "met 't beste eigen onderwijs-stelsel hebben jullie 't niet tot "ernst" kunnen brengen, wilt gij 't tans beproeven onder art. 5 van 't Vereniging traktaat, welaan, doch beledig ons toch niet met het enige dat u tans als Volk zal staande houden - "your miserable illiterate jargon".

1) Gelukkig behoort dit kwaadwillig produkt van een teleurgestelde man sedert vele jaren tot een welverdiende vergetelheid: "Herinneringen uit Z. Afrika", door Theodorus M. Tromp; E.J. Brill, Leiden, 1879.
2) We denken hier inzonderheid aan een artikel van deze begaafde schrijfster, verschenen in het April-nummer van de Fortnightly Review, 1896, pag. 510

Dáár is ernst en ten minste 'n soort van kracht in dit laaste, maar hebben we 't recht van ons eigen optreden hetzelfde te zeggen? Is 't ons ook ernst?

Ziedaar wat ik zo vrij ben sterk te betwijfelen, en in de volgende bladzijden proberen zal aan te tonen.


Mijn standpunt vat ik gemakshalve saam in de volgende drie stellingen:

I.
 De taal die in een land leeft, die in het ganse volk wortelt, heeft in dat land en onder dat volk de meeste kans op voortbestaan, en laat zich niet uitroeien dan met de uitroeiing van het volk waarin ze leeft.
 De geschreven taal van enige nasie regelt zich onwillekeurig, of behoort zich te regelen, naar de gesproken taal van die nasie; anders lopen de twee naderhand zó ver uit mekaar, dat zij feitelik afzonderlike talen zouden zijn.

II.
 Afrikaans wortelt diep en leeft gezond in de gehele Afrikaner nasie.
 Geen andere taal doet hetzelfde.
 Onze schrijftaal verschilt zóver van onze spreek-taal, dat voor 't gros der Afrikaners het gescrevende als vreemde taal is die zij zelf nagenoeg nooit schrijven.

III.
 Daarom heeft Afrikaans in Z.Afrika de grootste en beste kans op voortbestaan.
 Daarom behoort onze schrijftaal veel nader bij het Afrikaans te komen dan waar zij zich tans bevindt.


Terug na BEGIN van bladsy